Waar ben je, Filemon?

We mogen geen naam, leeftijd of afkomst vermelden. Ik weet het. Maar voor één keer luister ik niet. Adriana grapte tijdens de afgelopen trieste nacht dat er heel veel Filemons zijn. Heel veel Eritreeërs. Heel veel jongeren.

Ik weet het. Maar plots werd het me te veel. Na een honderdtal jongens (en enkele meisjes) in mijn Clio. Van Waals-Brabant naar het park. Of van het park naar Waals-Brabant.
Achter het stuur voel ik de woede in mij opborrelen. Waar zijn we mee bezig? Waartoe dient dit hele gedoe? Hen ’s avonds gaan halen. ’s Morgens terugbrengen.

Filemon dus. Ik weet niets over hem. Een half uur in de auto is kort om kennis te maken. Vooral wanneer ze met vier zijn. Ik weet alleen dat hij uit Eritrea komt, zestien jaar is en hoest. “It’s OK!” Maar ik zie wel dat het niet oké is, achter die eeuwige glimlach op zijn gezicht.

Ik stop bij een apotheek in Overijse. De drie anderen blijven in de wagen. Hij hoest wat slijm op bij wijze van demonstratie. Verdict van de apotheker: slijmhoest. Drie zakjes per dag, oplossen in een glas water, vriendelijk voorgeschreven in het Nederlands. Hoe kan ik haar uitleggen dat dat niet zo handig is? Dat siroop veel makkelijker zou zijn. De apothekeres begrijpt echter dat hij niet een van haar gebruikelijke klanten is. Filemon glimlacht nog altijd. Toont zijn handen. Zijn huid trekt, jeukt. Ze kiest een hydraterende lotion. Daarmee zal het beteren, het zal minder jeuken, het zal overgaan.
Bancontact.
Ze glimlacht – Filemons smile werkt aanstekelijk.
Ze zegt: wacht, ik heb iets voor u. Ze geeft me wat gratis staaltjes en chocolade-eitjes.

De Clio vertrekt weer.
Op de achterbank praten ze in het Tigrinya.
Filemon hoest nog altijd. Hij zegt dat hij weet waar de Humanitaire Hub is, dat hij naar de dokter zal gaan. “It’s OK!”

Noordstation. 14u. Eindstation.
Ze stappen uit. “Good luck, guys! Take care.”

22u30. Terug naar het park.
Waar ben je, Filemon?