Voorlopig blijven we dus hosten

Mijn man vindt (ook) dat het hosten nu toch iets minder nodig is. Het wordt immers beter weer.

Maar dan krijgen we twee van onze habitués nog eens op bezoek. Voor het eerst – sinds maanden – merk ik dat ze stinken als ik hen zoen ter verwelkoming. Ze draaien hun hoofd weg, willen zo snel mogelijk douchen en hun kleding in de was. Ze hebben enkele dagen buiten geslapen om te proberen. Dat zijn wij en zij gewoon (maar raken er toch ook nooit aan gewend ). Ze komen meestal net op tijd terug naar het park om de stank niet te laten toeslaan. Maar deze keer kwamen er enkele niet voorziene nachten bij. Er was geen plaats. Nog eens twee nachten buiten, badend in het zweet. Ook dat. Hun zakken zijn net groot genoeg voor wat reserveondergoed en een slaapzak, niet voor die winterjas en dikke pul, die ze voorlopig nog niet willen wegdoen of in bewaring geven, want de kou kan nog toeslaan. Dus lopen ze rond met al die kleding, in de warmte van de laatste dagen.

Voorlopig blijven we dus hosten, niet om de mannen elke nacht van de straat te houden, maar om hen net zo vaak als vroeger die propere, rustige dagen te bieden, die lange veilige slaap, die onderbreking in de uitputtingsslag.