Wees gerust, ik zie jou

Deze mooie getuigenis van Anne-Catherine verwoordt perfect de intense emoties die ik dag na dag ervaar sinds ik-weet-niet-hoe-lang. Ik ben zaterdagavond naar het park geweest en, hemeltjelief, wat zijn ze jong, zo klein en zo groot tegelijk. Ik kijk hen in de ogen en zeg: “Wees gerust: ik zie jou.”

“Gisteren in het Maximiliaanpark stond ik er opnieuw van te kijken hoe jong deze thuisloze zielen zijn. Je waant je er zowaar op de speelplaats van een middelbare school. Tussen de menigte jongeren loopt er ook af en toe een gezin met kleine kinderen. Een jongetje van nauwelijks twee jaar oud klampt zich aan me vast en we spelen een paar minuten onder het toeziend oog van zijn zeer jonge moeder. Ze wacht op een opvanggezin of een slaapplaats voor die nacht, en blijft angstvallig in de buurt van de vrijwilligers, zodat ze haar en haar zoontje niet uit het oog zouden verliezen in de mensenmassa.

Ik denk aan alle mama’s en papa’s, ginds ver weg, wier kinderen vertrokken zijn op zoek naar een leven dat ze niet in hun eigen stad of dorp konden vinden. Bij mij thuis deel ik het gelach, de vreugde en de pijn van hun kinderen. We drinken samen een kopje thee, ik verzorg hun wonden. Ik vang hen op wanneer ze een zwak moment hebben. Ik zie hun kinderlijke vreugde wanneer we een fietstocht maken of een voetbalwedstrijdje houden in de tuin.

Ik denk aan alle mama’s en papa’s, ginds ver weg, in hun thuisland, die hun kinderen niet zien opgroeien en niet kunnen helpen bouwen aan hun toekomst. Ik denk aan hun angst omdat ze niet weten hoe hun kinderen het stellen. Hoe ze piekeren, hopen dat ze het overleven en niet eens durven te denken aan hun geluk.

Ook ik voel die machteloosheid. En dat is veel vermoeiender en vreet veel meer energie dan het rondrijden, koken of wassen. Die machteloosheid en dat ongemakkelijke gevoel in mijn buik zijn soms zo groot dat ik overweeg om ermee te stoppen. Niemand meer opvangen, het park vergeten, het vrijwilligerswerk ’s nachts, de kartonnen dozen in het gras. Het zou gemakkelijk zijn, bijna een verademing. Ik heb mijn deel gedaan en hoef mezelf dus niets te verwijten.

Ik besluit ’s morgens dat ik stop zodra I, Y, A en M (en bij uitbreiding alle letters van het alfabet die bij mij thuis wonen) in veiligheid zijn. Maar ’s avonds ontmoet ik E of S, en voor ik het weet voel ik alweer die band. Onbeschrijflijk. Ben ik hun moeder? Hun zus? Hun vriendin? Een burger die strijdt voor de waardigheid van haar land? Een geëngageerde militant? De zotte vrouw die ik soms in de ogen van mijn omgeving zie?

Ik waak over hen. Ik bescherm hen zo goed mogelijk. Ik zal hen ongetwijfeld niet kunnen helpen bij het uitbouwen van een degelijke toekomst (ik geloofde nochtans van wel), want mijn land wil hen niet. Maar ik ben er om hen te zeggen dat ook zij – ondanks de fascistische wantoestanden van de wereld waarin we leven – het recht hebben om te leven, om hier te leven. Iedere mens heeft het recht om te leven. Om een manier te zoeken om te overleven en zelfs zijn geluk te zoeken. Ik hoop dat ze daar sterker van worden.

En dus slik ik dat gevoel van machteloosheid, die vermoeidheid en dat ongemakkelijke gevoel in. Ik stel mijn huis nog één nacht ter beschikking. Ik leg nog één keer het traject af. Ik leg nog één keer de vinger op de wonde.”