Brief aan een vriend

“Sommige avonden lopen anders dan gepland … De avond van de 20ste bijvoorbeeld, toen ik je vriendschapsverzoek en je eerste bericht kreeg, A. We ontmoetten elkaar begin juli in Calais, na de solidariteitsbetoging van l’Auberge des Migrants. Je lachte en glimlachte onophoudelijk en je was gelukkig dat er zo veel volk op de been was. Je was al in Brussel geweest en kende het park, het Burgerplatform en onze fantastische beweging.

Eenmaal bekomen van de verrassing die je me bezorgde door weken later iets te laten horen, slaat de realiteit me in het gezicht, al bij je eerste bericht. Want de reden waarom je contact opneemt, is omdat je niet meer dezelfde bent als enkele weken geleden … Je levenslust is verdwenen en heeft plaats geruimd voor moeheid. Moe van de vergeefse pogingen, moe van je vrienden te zien slagen in wat jou al weken niet lukt, moe van buiten te slapen, moe van bang te zijn, moe van niet meer te geloven in de toekomst.

Maar wat moet ik doen nu je pijn zo plots in mijn gezicht ontploft? Zeggen dat je de moed niet mag verliezen? Dat volstaat niet meer, dat besef ik maar al te goed. Ik heb het gevoel dat geen enkel troostend woord je gerust kan stellen … Ik vind de juiste woorden zelfs niet en dat spijt me …

Veel tijd om te piekeren krijg ik niet, want je zegt: “I want to see you.” Mij? Waarom wil je mij zien? We brachten slechts enkele uren samen door … Stop. Geen tijd voor zulke vragen. Het is 23.30 u. Precies genoeg tijd om je komst van morgen voor te bereiden, om een gezin te zoeken dat je vanavond kan opvangen in Luik, om het traject te regelen, om een vriend te contacteren die jou en je vriend vanaf morgen kan ontvangen. Ik kan zelf pas vanaf september in mijn kot, het spijt me. Zo, alles is geregeld. Jullie slapen deze avond op een veilige plek en plots zijn je berichten vervuld van geluk.

Ik heb geen tijd om je vandaag te komen bezoeken, m’n vriend. Het spijt me, maar ik moet zakjes klaarmaken voor de mensen in het park die niet evenveel geluk hebben als jij vandaag. Misschien heb jij het binnen enkele dagen ook niet meer …

De volgende dag ben ik in het park, een plek die ik goed begin te kennen, maar die me vooral steeds een krop in de keel bezorgt. Ik ben opgelucht dat je er vandaag niet bent. Toch zie ik menselijkheid in het park. Ik vraag me af hoeveel van die mensen, wachtend op weet-ik-veel-wat, voelen wat jij gisterenavond voelde …

Maar opnieuw is er geen tijd om daar lang bij stil te staan. Er is alleen tijd om voedsel uit te delen, te glimlachen en talloze mensen als jij te ontmoeten. Het geeft me de moed om elke dag nog wat meer te vechten.

Mijn vriend vergezelt me. Je weet wel, de vriend die sinds jullie ontmoeting vanochtend ook jouw vriend is geworden. We wachten op de dispatchingploeg, want vannacht kan onze vriend een extra persoon onderdak bieden. Terwijl we wachten, wandelen we door het park. We zien kinderen voetballen, we zien vermoeide gezichten en allebei zijn we stil. Ik zal er nooit aan wennen, want we mogen er simpelweg niet aan wennen of het normaal vinden. We mogen niet denken dat aangezien het nu al maanden zo gaat, er niets aan de situatie te doen valt en dat we het ermee moeten doen. Het zou niet zo mogen zijn en we zullen het ook nooit accepteren. Je woorden van de dag voordien echoën door mijn hoofd. Nu begrijp ik waarom je zei dat je Brussel haatte, dat je niet van het park hield en je er verloren voelde.

In de verte zie ik Céline. Zij maakt deel uit van de groep mensen die heel veel van hun tijd spenderen aan het zoeken van onderdak voor jullie. In al die maanden heeft ze nooit opgegeven. Ik zou langer willen blijven, langer willen praten en naar meer mensen willen glimlachen, maar de tijd dringt. Onze trein komt eraan en we willen niet vertrekken zonder die mooie derde ziel die we vanavond kunnen beschermen. Deze nieuwe ontmoeting werd geregeld door Adriana, die ook mijn eerste overnachting regelde. Net als toen denk ik aan de mensen die vannacht niet zo veel geluk hebben als jullie drie.

Vanavond, A., zul je een andere A. ontmoeten, die 12 jaar jonger is dan jij. Nochtans ben je zelf amper 27 jaar. Kleine A. spreekt Frans en glimlacht vaak. Hij laat me lachen wanneer hij doet alsof hij de conducteur zijn ticket aanreikt, om het daarna ondeugend weer terug te trekken, als een kind. De conducteur lacht, net als wij en de man naast ons. Toevallig praten we over het Suikerfeest …

(Weet je, A.’tjes van me, ik wilde dat ik over jullie kon praten zonder dat ik jullie voornamen moest veranderen in een initiaal met een punt erachter. Ik zou jullie foto’s willen tonen aan de hele wereld, om te tonen dat het allemaal eigenlijk heel eenvoudig en wonderbaarlijk is. Ik zou willen dat iedereen jullie glimlach kon zien in plaats van wazige gezichten, die voor jullie veiligheid onherkenbaar zijn gemaakt. Onze foto’s blijven dus geheim, alsof ook die beschermd moeten worden …)

Dezelfde man die ons uitlegt dat het Suikerfeest bovenal een familiefeest is, vraagt jou, kleine A. – zonder te weten wie jij bent of wie wij zijn – of je het feest met je familie zal vieren. Het duurt even voor mijn kwartje valt en ik antwoord: “Ja, overmorgen vieren we het Suikerfeest. We kunnen barbecueën in de tuin, wat denken jullie daarvan?” Ziezo, we hebben een plan: donderdag vieren we het Suikerfeest. Maar nu al bedenk ik wat we morgen kunnen doen, om er een speciale dag van te maken.

Morgen, dat is vandaag, want zoals altijd vliegt de tijd. We zitten allemaal rond één grote tafel … Libië, Soedan, België, Griekenland … Engels, Frans, Arabisch, Grieks, enkele woorden Italiaans en zelfs Spaans … Wat een prachtige mengelmoes, wat een ongelooflijk moment.

Op dat moment lijk jij, de oudste A., gelukkig. Gelukkig omdat je bij ons bent. Vandaag heb ik niet de indruk dat ik spreek met de persoon die me gisteren schreef dat hij het gevoel had op sterven na dood te zijn. En dat is maar goed ook, want het kostte me veel moeite om de betekenis van die woorden te vatten en nog meer om ze te accepteren … Twee uur lang leek je zo vredig. Je glimlach, die zo opvallend was in Calais, was teruggekeerd. Je was blij dat je rustig in de stad kon wandelen … Weet je, het is de eerste keer dat ik met een van mijn vrienden uit het park een wandeling maak door de stad die ik zo goed ken … Misschien gaf ik deze keer toe omdat ik wist dat het je plezier zou doen en omdat ik niet bang was de politie tegen te komen. Ik besef nu dat ik niet bang moet zijn om met jou of iemand anders uit het park rond te wandelen. Ik weet dat die wandelingen zonder problemen zullen verlopen, want het staat niet op jullie voorhoofd geschreven dat jullie niet de juiste papieren hebben. In de toekomst zal ik dus ook met mijn nieuwe vrienden wandelingen maken, beloofd.

Ik wou dat dat moment eeuwig kon voortduren, dat we daar voor altijd konden blijven. Ik zou glimlachend willen blijven kijken naar de jongste A. (omgedoopt tot Bambino), die zijn nieuwe telefoon geen seconde loslaat, omdat hij contact wil opnemen met zijn familie die in zijn thuisland gebleven is, en met zijn vrienden die nog vastzitten in Libië, het land waar jij, A., zo veel van houdt.

Gisteren zei Bambino in de trein: “Het VK is gevaarlijk. Ik wil er niet heen.” Ik weet niet precies waarom, maar dat stelde me gerust. Ik hoop vooral dat Bambino, met het laatste restje zorgeloosheid van een kind dat te snel moest opgroeien, erin slaagt om jou ook te overtuigen niet opnieuw naar het VK te proberen te trekken. Ik merk dat die vruchteloze pogingen je ongelukkig maken. Toen je ons vandaag zei: “I don’t want to die for UK” en vroeg of we zouden huilen als dat zou gebeuren, voelde ik de grond onder mijn voeten wegzakken. Maar het antwoord is ‘ja’ en dat hebben we je gezegd. Want we zijn nu eenmaal vrienden.

Mijn A.’tjes en R., de derde mooie ziel. Ik ben je niet vergeten, maar we kennen elkaar wat minder goed. Je bent zo discreet. Twee uur lang kookte je voor ons. Ik wil jullie alle drie ‘shukran’ zeggen. Shukran voor deze les in menselijkheid. Shukran voor deze dag. Shukran om ons te vertrouwen, ook al is er niets dat jullie daartoe verplicht.

Hoewel we jullie families niet kunnen vervangen, zullen we morgen als vrienden het Suikerfeest vieren en bovenal blij zijn dat we samen zijn. Morgen is een nieuwe dag, waarop we samen geschiedenis blijven schrijven.
Op jullie, mijn nieuwe vrienden.”