Hij is niet eens kwaad. Hij vraagt zich alleen af waarom, want hij heeft niets verkeerds gedaan …

Tussen twee hoofdstukken sociologie springen de tranen me in de ogen. Mijn eerste reflex is om te beginnen te schrijven.

Ik had beslist dat het welletjes was. Dat ik me voldoende aan hen had gehecht en dat ik genoeg habitués en vrienden had om mijn gedeelde huis zes maanden lang vol te leggen.

Toen kwam ik in La Porte d’Ulysse de zeventienjarige E. tegen. Hij was net aangekomen uit Frankrijk met een papier waarvan hij niet veel snapte. Hij had alleszins geen dak meer boven zijn hoofd. En dus had hij zonder veel overtuiging  beslist om zijn kans in Engeland te wagen. Hij praat Oromo, Amhaars, Arabisch en Frans. Ja, hij is een echte bolleboos. Ik nam hem mee naar huis, waar hij enkele dagen op krachten kwam. Hij zag mijn andere habitués, die maar voor een nacht kwamen, om even te slapen of zich op te warmen.

Toen hij vertrok om zijn eerste poging te wagen, liet hij een lange brief op tafel achter. Kort samengevat bedankte hij mij. Heel erg. België, de gastgezinnen, mij, hij vindt het allemaal magisch. Zoiets heeft hij nergens anders meegemaakt.
Daarna geen nieuws meer. Tot dat telefoontje de eerste dag van mijn officiële blok. Uit een gesloten centrum. Hij is al enkele dagen in Brugge, waar hij wacht op zijn uitzetting naar Frankrijk. 

Hij vertelt trots dat hij een advocaat heeft geweigerd, net als de sociale assistenten hem hadden aangeraden. Ik leg hem uit dat dit een slecht idee was. Zijn stem breekt. “Bedoel je dat ze tegen mij gelogen hebben? Met opzet?” Hij had niet durven zeggen dat hij minderjarig is, omdat hij bang was dat ze dan in zijn plaats zouden beslissen.

Hij is niet eens kwaad. Hij vraagt zich alleen af waarom, want hij heeft niets verkeerds gedaan … “Weet je, ik weet zelfs niet waar ik heen ga. Maar jij weet wel dat ik aardig ben, niet?”

Al een maand beloven ze hem dat hij morgen vrijkomt. Of misschien maandag. Iedere keer gelooft hij hen, want het wachten is anders ondraaglijk. En iedere keer komt de teleurstelling nog harder aan.

Hij belt me elke avond. Ik ben zijn enige venster op de wereld. Hij is mijn welgekomen pauze. Hij heeft niet veel te vertellen. “Weet je, elke dag is hetzelfde. Ik slaap, eet, slaap, eet …” Zelf heb ik ook niet veel te vertellen. “Ik studeer, eet, slaap, studeer …”

Elke avond vraagt hij me om een liedje in het Oromo op YouTube te laten horen. Hij is de enige Oromo daar en hij mist zijn muziek. En dus zingen we elk aan een andere kant van de lijn.

Dan hangen we op en doe ik hem beloven om me te bellen wanneer hij vrij zal zijn morgen. Hij lacht: “Insha Allah.” 

En dan heb ik het moeilijk om weer in mijn cursussen te duiken. Ik denk aan zijn eenzaamheid, zijn verveling. Ik weet dat hij zich moet beheersen om me maar één keer per dag te bellen, omdat ik aan het studeren ben.

Ik had dus beloofd om me niet meer aan iemand te hechten, maar ik denk dat ik daar eigenlijk geen zin in heb. Het is veel pijnlijker, maar ook veel menselijker.