Wat ik voor hem heb gedaan? Ik weet het niet meer. Maar hij weet het wél – dus ik geloof dat hij er wel iets aan heeft gehad.

Misschien ben ik wat raar, maar het was eerst niet mijn bedoeling om naar het VK te gaan enkel om er een van de jongens te bezoeken die daarheen zijn getrokken. Anderen doen dat wel en dat respecteer ik. Ik vind het zelfs een mooi gebaar, maar – zo redeneerde ik – ik ben hun familie niet. Ik zie mezelf als een behulpzame ziel die ze op hun weg tegenkomen. Na het afscheid zetten zij hun tocht verder. Af en toe bellen we elkaar, maar ik probeer het niet te forceren. Ik wil hun de keuze geven om te vergeten, als ze dat willen. 

Maar van tijd tot tijd ga ik met mijn 2 zussen een weekendje naar Londen. Shoppen, kletsen, een museum om ons culturele geweten te sussen, en onderweg een ‘cream tea’ en wat pubs. Een paar maanden geleden hadden we ons tripje voor januari geboekt. En ik vroeg me af of (en hoe) ik het zou vertellen aan T. Ik voelde me niet echt op mijn gemak … Je weet hoe moeilijk ik het ermee heb … Maar dat bleek nergens voor nodig, omdat hij in een vloek en een zucht alweer vertrokken was (zie vorige blogposts 1, 2 en 3). 

Maar goed, hij was dus in Cardiff en verhuisde drie weken voor mijn komst naar Londen. Natuurlijk wilde ik hem niet pushen, maar ik wilde hem wel heel graag terugzien. Dus daar stond ik dan in Kensington, op zoek naar T, maar ook naar Z (ik was er nu toch!). ‘Mommy!’ hoor ik Z roepen, en T komt naar me toe schommelen (ik moet stiekem in mezelf glimlachen om zijn rare loopje). Hij omhelst me en laat me niet meer los. Hij zegt: “Thank you issssapelle” (hij heeft een Duits accent als hij mijn naam zegt). Ik fluister in zijn oor: “You did it. You are strong.” 

Z gilt (gillen is zijn natuurlijke volume): “I did it twice!” We lachen. Ja, twee keer. Ze nemen me mee naar een klein Eritrees restaurantje. Ze zijn trots, dat zie je. Z werkt er als ober en stelt me aan iedereen voor. Natuurlijk begrijp ik niets van wat ze zeggen. Misschien zeggen ze wel: “Pff … daar is ze weer, dat blok aan ons been. Breng eens wat injera’s, dan hebben we over het eten tenminste niet te klagen.”

Ik moet zeggen, tot dan toe kon ik me groot houden. Het was echt ontroerend om hen zo te zien, in topvorm … Maar ik hield me groot, geen traantjes.

Maar dan, terwijl ik in het restaurant voor mijn injera zit, hoor ik: “Isabelle!”… Ik draai me om en: “Me … Your home …” Ja, ik herken zijn gezicht. Maar ik kan me zijn naam niet meer herinneren. Hij kwam langs bij ons thuis, net als zo vele anderen. Ik wist niet eens dat hij in Groot-Brittannië was. Maar hij herinnert zich mijn naam wél. Wauw. Hij vraagt me hoe het met de kinderen gaat. Nog eens wauw … Hij weet het echt nog! We omhelzen elkaar stevig, we zeggen elkaar hoe fijn het is om elkaar weer te zien, en we gaan terug naar onze tafel. En dan komt de krop in mijn keel. De tranen komen. Ik was erop voorbereid om T en Z te zien, maar hem had ik niet verwacht. Ik weet niet meer wat ik voor hem heb gedaan. Ik moet wel iets goeds gedaan hebben, want hij weet het nog. Maar tegelijkertijd heb ik veel te weinig gedaan, want ík ben het vergeten. Zo weinig … Vergeef me omdat ik je niet ken. Vergeef me omdat ik je vergeten ben. Ik wens jullie allemaal het allerbeste.