Ze willen een opleiding volgen, studeren, werken, zelfstandig en vrij zijn … Net als onze kinderen, net als wij.

Dinsdag 22 januari 2019. De media krijgen niet genoeg van de aangekondigde sneeuwvlokken. In Brussel wordt een centimeter verwacht en op andere plaatsen zelfs meer. Alle hens aan dek! Er wordt over niets anders gepraat. In de nacht van diezelfde dinsdag 22 januari (of misschien was het al ochtend) zijn O. en S., 23 en 21 jaar, in Engeland aangekomen. In alle stilte en discretie, ver weg van de media. Op 10 januari waren ze bij mij beland via een Ethiopische vriend – een van mijn habitués – die ik toevallig tegen het lijf liep in Brussel. Ze kwamen uit Duitsland, waar ze na vijf jaar waren uitgewezen, en hadden drie dagen niet geslapen. Ze kwamen bij mij met een engelachtige glimlach en ogen vol dankbaarheid. In Duitsland waren ze nooit bij een gezin uitgenodigd. En dus vindt S. dat België een geweldig land is. Hij zou hier wel willen blijven, ware het niet dat België hem niet wil.
Een paar jaar geleden waren O. en S. minderjarig. Ze doorkruisten de Sahara te voet. “Er lagen overal doden, maar we moesten doorstappen om zelf niet te sterven. Mijn beste vriend is voor mijn ogen gestorven. Hij vroeg me om hem te redden en ik kon niets voor hem doen.” O. en S. staken de Middellandse Zee over in een overvolle boot. Op volle zee maakte de boot water. Ze werden door een Italiaanse boot gered. Elf inzittenden verdronken. O. en S. doorkruisten Italië en Frankrijk en belandden in Duitsland. Ze wilden niet naar Duitsland, maar in Frankrijk namen ze een verkeerde trein. Ze werden aangehouden zonder ticket en identiteitskaart. De politie nam hun digitale vingerafdruk. Ze werden als minderjarigen behandeld. Na drie jaar les spreken ze vlot Duits. Een vijfde taal als troef! (naast Amhaars, Oromo, Arabisch en Engels). Maar na vijf jaar werd hun asielaanvraag geweigerd en kregen ze het bevel om het grondgebied te verlaten. Ze kwamen aan in België, het transitland voor Engeland, hun laatste hoop. Het ontvangstcomité stond al klaar: politie en achtervolgingen. “Soms is het net als in een film”, zegt O. We lopen en lopen met de politie op de hielen.” O. mankte toen hij bij mij kwam, het gevolg van een achtervolging …

Zonder het zelf te weten hebben O. en S. me een groot cadeau gegeven door deze nacht in het VK te geraken. Precies een jaar geleden, op 22 januari 2018, opende ik voor het eerst mijn deuren voor onbekenden uit het Maximiliaanpark: een koppel, ook Ethiopiërs. Ik vind het geen reden om te feesten. Ik stel gewoon vast dat de tijd snel gaat en dat de situatie niet verandert, integendeel. Ik hoor links en rechts de verhalen. De politieachtervolgingen, de arrestaties, de opsluitingen. Op een ochtend kwam F., een van mijn habitués, bij mij. Ik had gehoord dat ze ’s nachts door de politie was gearresteerd. Toen ze bij me aankwam, zei ze dat alles oké was. Ik antwoordde: “Neen, deze keer kan je niet zeggen dat alles oké is.” Ze begon te huilen (de enige keer dat ik in dat hele jaar een van mijn gasten bij mij thuis heb zien huilen). Ze vertelde: “Ik zat ’s nachts met een vriendin in een vrachtwagen. De chauffeur had iets gehoord en heeft de politie gebeld. Mijn vriendin was bang geworden. Ze wou uit de vrachtwagen, maar ze is gevallen. Ze heeft haar onderrug gebroken en zal misschien voor de rest van haar leven gehandicapt zijn.” 

“We zijn de hele tijd bang”, zeggen S. en T., sinds kort 18 en 20 jaar, twee jonge meisjes, zo kwetsbaar en zo moedig, twee vogels voor de kat. Sinds begin september komen ze en vertrekken ze weer, om dan uitgeput, bevroren en soms doornat terug te komen. Ik vind ze ongelooflijk. Omdat ik niet de juiste, aanmoedigende woorden vind, ontvang ik hen met de glimlach. Ik omhels hen en zorg ervoor dat er altijd minstens brood, eieren, uien en melk klaarstaan om hen op te warmen. Ik denk vaak dat het geen leven is, en toch is dit hun leven. Op een dag zei S. me: “Ik droom ervan dat de hele familie op een dag weer bij elkaar zal zijn.” Haar ogen vullen zich met tranen. De mijne ook.

“Ik praat niet graag over het verleden, want het is te pijnlijk.” “Soms vraag ik me af waarom ik leef.” “Ik zou liever sterven dan terug te keren naar Kroatië.” “Ik ben zo in de war dat ik dingen vergeet.” “Ik heb altijd stress, die kruipt in mijn hoofd en houdt me wakker.” “Ik moest in de eerste boot instappen, maar er was geen plaats meer. Ik heb de volgende genomen. De eerste is gezonken, met alle inzittenden. Er zaten dertig jongeren uit mijn dorp in.” “Soms denk ik dat ik samen met de anderen had moeten verdrinken. Na alles wat we hebben beleefd, worden we nog niet erkend. We zijn niets.”
In een jaar tijd heb ik heel wat jongeren opgevangen. De jongste was vijftien. Velen zijn ongeveer even oud als mijn zoon, tussen 22 en 25 jaar. Sommigen vertellen me verlegen en met de glimlach over flarden van hun dramatische traject. Enkele zinnen blijven in mijn geheugen gegrift en spoken door mijn hoofd. Ze voeden mijn verontwaardiging en mijn opstandigheid. Ik denk vaak: wat een verspilling van mensenlevens! Deze jongeren worden opgeofferd.

Een jaar geleden zette ik de deuren open voor een onbekende. Ik wou er maximaal twee om het doenbaar te houden en aangenaam voor mijn kinderen. Ik had een vrije kamer van mijn oudste zoon. Nu slapen ze soms met vier in die kamer, en met drie in een halve, volgestouwde kamer. Ik laat hen zelf afspreken en tot nu toe was dat nooit een probleem. Ik bewonder hun solidariteit. Zonder het te willen heb ik me sinds april ‘gespecialiseerd’ in de opvang van Ethiopiërs. De mond-tot-mondreclame doet zijn werk.

Ze blijven thuis als ze willen, ook wanneer ik werk of afwezig ben. Ze hebben een sleutel. Als ze niet zeker zijn dat ze zullen terugkeren, laten ze die in de brievenbus achter. Wanneer ik de beertjessleutelhanger vind, weet ik dat er niemand thuis is. Ze zijn heel zelfstandig, ze koken, weten hoe de wasmachine werkt. Het is niet altijd evident om een evenwicht te vinden met mijn eigen kinderen, maar uiteindelijk weet ik dat ze me steunen, zelfs wanneer ze te kennen geven dat het te veel is en ze soms eens een lege woonkamer of keuken zouden willen.

Ik heb geleerd om van dag tot dag te leven, te improviseren, me vrij te maken voor dringende gevallen, mijn telefoon ’s nachts aan te laten voor het geval dat. Hen op te wachten, tot ’s avonds laat.
Ik heb injera ontdekt, de bekende Ethiopische pannenkoek, en enkele Ethiopische gerechten waarvan ik regelmatig smul (sommige jongens koken ook supergoed, in tegenstelling tot alle vooroordelen!). Ik hoor elke dag Amhaars en ik begrijp er nog altijd geen woord van (behalve injera natuurlijk).
Ik schrijf dit vandaag allemaal niet om felicitaties te krijgen voor wat ik doe. Het is voor mij vanzelfsprekend geworden en ik zou niet anders meer kunnen. Ik getuig hier in naam van die jongeren uit andere landen die intussen vrienden en vriendinnen zijn geworden, zussen en broers, dochters en zonen. Ik zou willen dat we hen niet meer als migranten, transmigranten of illegalen beschouwen, maar dat hun bestaan erkend wordt. Het zijn jonge mannen en vrouwen die net hun puberteit achter de rug hebben en op zoek zijn naar een land waar ze zich kunnen vestigen, zich kunnen ontplooien en aan hun toekomst bouwen. Ze willen een opleiding volgen, studeren, werken, zelfstandig en vrij zijn … Net als onze kinderen, net als wij. Ze zullen veel teruggeven aan het land dat het geluk heeft hen op te vangen en hen te vertrouwen. Als ze kunnen, zullen ze geld sturen naar hun achtergebleven familie, als ze er nog hebben. 

Hun moed, hun volharding, hun doorzettingsvermogen, hun dromen: daar trek ik me aan op, aan mijn gasten, aan ons allemaal, aan het burgerplatform. Bedankt om deze solidariteit mogelijk te maken op een schaal die ons allemaal te boven gaat. Ik hoop dat ik nog vele mooie en hartelijke momenten mag meemaken met de solidaire mensen van dit land.